Hoe maak je een dijk?

Het maken van een dijk is grofweg te verdelen in twee onderdelen: aan de ene kant het ontwerp en aan de andere kant het bouwen van de dijk. Voorafgaand aan het maken van een definitief ontwerp worden verschillende ideeën besproken, zoals: Wat is het doel van de dijk? Wie zijn de toekomstige gebruikers? Wat zijn de wensen van de omgeving voor het ‘aanblik van de dijk’? Zodra dit helder is, starten de constructeurs en vormgevers met het ontwerp van het dijklichaam. Het ontwerp moet dus voldoen aan zowel technische als uiterlijke eisen.

Het realiseren van een dijk bestaat uit de volgende stappen:

  1. Bouwrijp maken van dijklocatie en bouwterrein;
  2. Aanbrengen van de kern van de dijk en de afdeklaag;
  3. Stabiliteit van een dijk tijdens uitvoering;
  4. Afwerken en inrichten van de dijk.

1. Bouwrijp maken van dijklocatie en bouwterrein
Als eerste wordt het bouwterrein bouwrijp gemaakt. Dit bouwrijp maken van een terrein kan bestaan uit het plaatsen van een afscheiding van bouwterrein en openbaar gebied door middel van hekwerk, slootjes of afzettingen. Na het plaatsen van de afscheiding wordt er gestart met het maaien van gras en baggeren van sloten. Dit gebeurt altijd onder ecologische begeleiding. De ecologische begeleiding is vaak een voorschrift vanuit de vergunning en wordt steekproefsgewijs uitgevoerd door een ecologisch specialist.

2. Aanbrengen van de kern van de dijk en de afdeklaag
Een waterkerende dijk bestaat uit een kern van zand en een afdeklaag van klei en wordt in lagen opgebouwd. Het opbouwen van een dijk moet in lagen worden uitgevoerd omdat het aangebrachte materiaal goed moet worden verdicht. Verdichten is niets meer dan de holle ruimte tussen de (zand)korrels minimaliseren waardoor een betere hechting tussen de verschillende lagen ontstaat. Hierdoor krijg je ook minder last van inklinking. Als de zandkern van het dijklichaam is aangebracht, wordt de afdeklaag van klei aangebracht met een bepaalde erosieklasse. De kleilaag is ca. 1,2 meter dik.

3. Stabiliteit van een dijk tijdens uitvoering
Instabiliteit van een dijk kan bijvoorbeeld komen door een zachte ondergrond of bodem. Tijdens de ontwerpfase wordt al onderzoek naar de ondergrond gedaan. Uit deze onderzoeken komen meetwaardes. Met deze meetwaardes wordt de ophoogsnelheid van het dijklichaam bepaald. Tijdens de dijkophoging wordt de ondergrond ook gemonitord om de waterspanning in de gaten te houden. Bij een te hoge waterspanning kan de ondergrond zich gaan verplaatsen in horizontale richting, dit wordt ook wel een afschuiving genoemd. Dit zou de stabiliteit van de dijk in gevaar brengen.

4. Afwerken en inrichten van de dijk
De dijk wordt afgewerkt door deze in te zaaien met een grasmengsel. Dit grasmengsel bestaat uit verschillende grassoorten die diep en ondiep wortelen. De grasmat is benodigd om erosie te voorkomen en zorgt ervoor dat de bovenste kleilaag aaneengesloten blijft en niet ruw en los wordt, waardoor erosie kan ontstaan. Na het inzaaien worden eventuele hekwerken, bijvoorbeeld voor beweiding met schapen, geplaatst en kan de dijk in gebruik worden genomen.