Gevonden bij de aanleg van het Reevediep: De oudste hut van Nederland

Bij de ingebruikname van het Reevediep op 14 maart neemt Koning Willem Alexander het eerste exemplaar in ontvangst van Deining in de IJsseldelta – Biografie van de bypass bij Kampen. In dit boek over de bewogen geschiedenis van het Reevediep doen vele betrokkenen hun persoonlijke verhaal. Zoals archeoloog Axel Müller, die een bijzondere vondst deed in het gebied van de bypass: een hut uit het stenen tijdperk. Dat ze toen al hutten bouwden, is een ontdekking van internationaal belang.

Dit interview is een (ingekorte) voorpublicatie uit Deining in de IJsseldelta van Joep Boerboom. Vanaf 14 maart in de winkel en nu al te bestellen bij WBOOKS: https://wbooks.com/winkel/verwacht/deining-in-de-ijsseldelta-biografie-van-de-bypass-bij-kampen/.

Speld in hooiberg?  

Archeologisch grondonderzoek doen voor je een huis bouwt, is te overzien. Maar hoe doe je dat in een gebied van vele vierkante kilometers, zoals bij de bypass het geval was? Is dat niet zoeken naar een speld in een hooiberg? Dat valt mee, zegt archeoloog Axel Müller. Hij legt uit hoe ze stap voor stap het zoekgebied bepaalden. ,,We zijn eerst in de archieven gedoken en hebben uitgezocht wat al bekend was over het gebied. Vervolgens hebben we met grondboringen gereconstrueerd hoe het landschap er vroeger uitzag.’’

In de steentijd bestond de wijde omgeving van Kampen uit een uitgestrekt en licht heuvelachtig dekzandlandschap. Ten zuiden van Kampen lag een oude stroomvallei van een voorloper van de IJssel. Een aantrekkelijk leefgebied voor de mens. ,,We troffen er een dik pakket veen met daarin fossiele stuifmeelkorrels. Aan de hand daarvan konden we zelfs nagaan welke planten er groeiden.’’  

Flintstones

Ten westen van deze oude rivierloop lag een langgerekte zandrug. Hoog en droog, maar wel in de buurt van drinkwater en voedsel. Hier moeten de Flintstones van de lage landen zich thuis gevoeld hebben. De verwachtingen van de archeologen om juist op deze plekken sporen van menselijke aanwezigheid te vinden, waren dan ook hooggespannen.  

Ter plekke groeven ze proefsleuven van zo’n twintig bij vier meter en anderhalf tot drie meter diep. Het was meteen raak. ,,We troffen langs de hele dekzandrug resten van vuurstenen werktuigen zoals schrabbers en stekers. Ook vonden we zwartgekleurde restanten van vuurplaatsen.’’

Op basis van de uitkomsten van het proefsleuvenonderzoek werden zo’n twintig ‘vindplaatsen’ in het gebied aangewezen. Nu gingen Axel Müller en zijn collega’s preciezer te werk. ,,Uit vakken van een vierkante meter of vijftig bij vijftig centimeter schepten we het zand en haalden het door een zeef. Op deze manier konden we nauwkeurig vastleggen wat we waar vonden.’’

Om de haardkuilen te lokaliseren schraapte een graafmachine vervolgens steeds een dun laagje grond af, tot de donkere kuilhaarden zich aftekenden tegen het bruingele zand. In totaal werden er maar liefst achthonderd gevonden. ,,Dat lijkt veel, maar dat valt mee,’’ legt Müller uit. ,,De resten die we in de kuil vonden, hebben we verzameld en gezeefd. Met de zogenaamde C14-methode konden we nagaan hoe oud de resten waren. Deze methode meet de radioactiviteit van de koolstofdeeltjes. Hoe minder radioactief, hoe ouder de deeltjes. We kwamen er zo achter dat die achthonderd vuurplaatsen over een periode van meer dan tweeduizend jaar zijn aangelegd.’’

Menu

De vondsten geven een indruk wat er in het stenen tijdperk op het menu stond: onder meer geroosterde hazelnoten, zaden van dennenappels en vlees. ,,We hebben verbrande botresten gevonden van middelgrote zoogdieren. De techniek is nog niet zover dat we precies kunnen zeggen waarvan. Waarschijnlijk een ree of een zwijn.’’    

De vuurstenen werktuigen die ze vonden, legden ze onder het vergrootglas. ,,Van de slijtsporen op een vuurstenen mesje is veel af te leiden: bijvoorbeeld of ze gebruikt zijn om er vlees of planten mee te snijden.’’

Hut

De grootste verrassing moest toen nog komen. Op ‘vindplaats 9’, ten oosten van de Hanzelijn aan de noordkant van de bypass, besloten de archeologen op een plek waar ze veel vuursteenresten troffen nog iets dieper te graven. Ze stuitten op paalsporen in een cirkelvorm. ,,De palen zelf zijn allang vergaan, maar uit kleurverschillen in de bodem konden we afleiden dat ze er gestaan hebben.’’

Deskundigen gingen ervan uit dat mensen in die tijd leefden in tentachtige onderkomens. Een hut uit deze periode, gemaakt met palen, was nog niet eerder aangetroffen.

Met behulp van de eerdere vondsten op de veertien vierkante meter tussen de palen, heeft Müller  zelfs een aardig beeld hoe de hut was ingedeeld. ,,Op de plek waar we weinig vonden, zal de ingang geweest zijn. Een gedeelte werd gebruikt om pijlpunten te maken, even verderop maakte men schrabbers. Op nog weer een andere plek bewerkten de bewoners huiden. Zo geeft deze vondst een bijzonder inkijkje in het leven van onze voorouders uit de steentijd.’’   

Toevalstreffer?

Müller vraagt zich af of de vondst een toevalstreffer is. ,,Liggen er meer ‘hutten’ onder de grond? Of was er hier een speciale aanleiding? Besloten ze een stevig onderkomen te bouwen omdat ze werden overvallen door de winter?’’ Müller denkt niet dat de hut permanent werd bewoond. Het was eerder een trekkershut dan een huis dus. Hoe dan ook: de vondst is zo bijzonder dat een deel van de vindplaats bewaard is door een geplande haven een stukje oostelijker aan te leggen.

Zo konden de vondsten op hun plek blijven liggen en dat heeft de voorkeur. ,,Al gaat dit gaat soms tegen mijn natuur in, want als archeoloog wil ik zoveel mogelijk opgraven en laten zien. De gedachte erachter is dat opgraaf- en conserveringstechnieken steeds beter worden. Zolang we het in de grond kunnen laten zitten doen we dat dus. Zo hebben we ook vondsten op de plek waar de dijk langs het Reevediep is aangelegd ongemoeid gelaten. Wel hebben we met de TU Delft vooraf onderzocht of het dijklichaam de vondsten niet kapot zou drukken. Dat was gelukkig niet het geval.’’